Literatuur over de schrijfster

Toch scheen er soms op die tuinen  iets te zijn achtergebleven van het oude voorbijgegane, van wat al zo lang geleden was’ (De tienduizend dingen)

Een foto van Maria gezeten in haar zitkamer in Noordwijk (1958). Volgens de herinnering van haar kleindochter zat zij daar vaak voor haar antieke indische klap tafeltje met daarop een paar van haar lievelingsboeken: gedichtbundels van Bloem, Elliot, Keats, Vasalis, Yeats en korte verhalen van Katherine Mansfield, het houten beeldje van de Kwan Yin ernaast. (privé bezit)

 

In boeken en kranten- en tijdschriftartikelen

 

Agerbeek, Barney. ‘Een brief van Maria Dermoût aan Rob Nieuwenhuys. Het verhaal en niet de schrijver.’ Indische letteren 16, nr. 89 (2001): 95-103.

p-100 p-101
In deze brief aan Rob Nieuwenhuys verdedigt ze zich  tegen kritiek op haar stijl (dec.1956) zo eenvoudig mogelijk, zo strak mogelijk’ dat is wat ze wil.
’Dat ik dan de indruk van fraai te willen schrijven maak is wel een klap op het kinderhoofd.’

Alphen, Ernst van. De toekomst der herinnering. Essays over moderne Nederlandse literatuur, 128-156. Amsterdam, 1993.

Asia in western fiction. Edition Robin W. Winks en James R.Rush, 147-149. New York, 1990.

Beekman, E.M. ‘Afterword and notes.’ In: Maria Dermoût. The ten thousand things, 245-304.  Amherst, 1983. (noot 1)www.umass.edu

Beekman, E.M. ‘Maria Dermoût (1888-1962): het instinct van ons hart.’ In: Paradijzen van weleer. Koloniale literatuur uit Nederlands-Indië 1600-1950. Vertaling Maarten van der Marel en René Wezel, 477-502. Amsterdam, 1998. (www.dbnl.org.)

Belkom, Pater L. van. ‘De echte Mevrouw van Kleyntjes uit De tienduizend dingen.’ Tong Tong 18, nr.11 december (1973): 12-13,16. (www.moesson.com)

Bork, G.J. van  en P.J. Verkruijsse (red.). ‘Maria Dermoût.’ In: De Nederlandse en Vlaamse auteurs van de middeleeuwen tot heden,168.Weesp, 1985. (www.dbnl.org.)

Bork, G. J. van. ‘Maria Dermoût.’ In: Schrijvers en dichters. Biografieën project 1, 2003-… www.dbnl.org.

Bruyn Ouboter-Kist, Maria de. ‘Hart van mij; brieven en teksten van Maria Dermoût (1950-1960).’ Bzzlletin 13, nr. 127  juni (1985): 22-35. Zie voor de ingekorte versie de rubriek Brieven- teksten – thema’s.

Cassee, H. C. en G.A.Kohnstamm (red.). ‘Maria Dermoût.’ In: Cultureel woordenboek; encyclopedie van de algemene ontwikkeling, 406. Amsterdam, 2000. (www.dbnl.org.)

De Grote Winkler Prins Encyclopedie, dl. 7, 275. Amsterdam, 1991. (www.winklerprins.com)

Drayer, Elma. ‘Biografie en kritische beschouwingen, alsmede publikaties over Maria Dermoût.’ In: Kritisch lexicon van de Nederlandstalige literatuur na 1945. Dl. 3. Alphen aan de Rijn, 1980. (www.dbnl.org.)

Encyclopedia Britannica, vol. 4, 15 th. ed., 26. Londen, 1995. (www.britannica.com)

Freriks, Kester. Geheim Indië. Het leven van Maria Dermoût 1888-1962. Amsterdam, 2001 (2000).

Fragment, p.16.

Het eerste hoofdstuk van Maria Dermoûts De tienduizend dingen heet ‘het eiland’. Dat is Ambon, na Java het tweede eiland waar zij woonde. Weergaloos beschrijft Dermoût dit eiland benoemt ze het zichtbare en niet – zichtbare. Meer dan vijftig jaar na haar afscheid van Ambon heeft ze haar herinneringen eraan krachtig en levendig gehouden. Huizen en de families die daarin wonen, bomen, nootmuskaattuinen en stranden krijgen een plaats. Ze roept ook vervlogen jaren en bijna vergeten gebeurtenissen op, dat wat plaatsvond op het eiland, vroeger, en nu is weggegleden in de tijd, in het onmetelijke verleden. ‘Van de huizen stond er niet een meer in zijn geheel overeind, zij waren ingestort bij een aardbeving en daarna opgeruimd [.. ]  Wat was er over van alle glorie?

Toch scheen er soms op die tuinen iets te zijn achtergebleven van het oude voorbijgegane, van wat al zo lang geleden was.Op een zonnige plek tussen de kleine bomen, het gaat er zo sterk naar specerijen ruiken als het warm wordt […] Wat was het? Een herinnering aan iemand, aan iets dat gebeurde, kan ergens bijna tastbaar blijven hangen; misschien is er nog iemand die ervan weet, aan denkt soms, dat was nog anders: zonder ergens enig houvast, enige zekerheid. Niet meer dan een vraag, een wellicht? [..] Een stilte als antwoord, een stilte van gelatenheid en verwachting tegelijk; van voorbij en niet voorbij.’ [..]

In de overtuiging dat het verleden nooit voorgoed is afgesloten heb ik deze biografie over Maria Dermoût geschreven. Het niet-voorbije wilde ik laten overheersen over dat wat ogenschijnlijk ver weg is, zo lang geleden: de sporen van haar leven, de huizen en gebouwen uit haar tijd, waarvan sommige er nog zijn, veel andere niet, archieven, dorpen en steden zowel in Indonesië, Nederland als Zwitserland, het handschrift van haar werk, het werk zelf, documenten en foto’s, gesprekken met degenen die haar gekend hebben, hun getuigenissen, brieven en een lang verborgen gebleven dagboek, dat nooit eerder is onderzocht. Tot slot Maria Dermoût’s stem, die een verhaal voorleest op een grammofoonplaat kort voor haar dood.(www.nrc.boeken.nl en www.dbnl.org. )

Freriks, Kester. ‘Maria Dermoût. Afscheid en herinnering, stem en tegenstem.’ In: In Indië geweest. Maria Dermoût, H.J. Friedericy en Bep Vuyk, 8-49. Den Haag, 1990. Schrijversprentenboek nr.30. ( www.dbnl.org.)

Freriks, Kester. ‘Maria Dermoût als meester in de rechten; over Geheim Indië. Het leven van Maria Dermoût 1888-1962.’ Indische letteren 16, nr. 2 (2001): 60-74.

Freriks, Kester. ‘Maria Dermoût (1888-1962). ‘Zult U ‘t eerlijk zeggen?’ Arnhems Historisch Tijdschrift 30, nr.4 (2010): 198-205.

Freriks, Kester. ‘Nawoord.’ In: Maria Dermoût. De tienduizend dingen, 246-255. Amsterdam, 9e dr. 1991. (Salamander klassiek).

Freriks, Kester. ‘Nawoord.’ In: Maria Dermoût. Nog pas gisteren, 133-144. Amsterdam, 8e dr. 1993. (Salamander klassiek).

Freriks, Kester. ‘Weerzien zonder terugkeer – over Maria Dermoût.’ Indische letteren 10, nr. 1 (1995): 67-74.

Geelen, J. van, F.P. Huygens (red.). ‘Maria Dermoût.’ In: Lexicon van de moderne Nederlandse literatuur; biografische en bibliografische gegevens van bijna 500 auteurs uit België, Friesland en Nederland, 41. Amsterdam, 197.( www.dbnl.org.)

Greshoff, Jan. ‘Kritische aantekeningen over De tienduizend dingen door Maria Dermoût.’  Het Vaderland, 7.1.1956.

Greshoff, Jan. ‘Maria Dermoûts nieuwe bundel De juwelen haarkam.Het Vaderland, 3.8.1957.

Greshoff, Jan. ‘Proza dat niet vertelt maar vertoont. Over Nog pas gisteren van Maria Dermoût.’  Het Vaderland, 15.8.1951.

Grooss, Rosalie. ‘Mevrouw van Kleyntjes.’ Tong Tong 18, nr. 16  maart ( 1974): 8-10. (www.moesson.com)

Haasse, Hella S. ‘Annie Romein-Verschoor en Maria Dermoût.’ In:  Erflaters van de twintigste eeuw, 168-188.Amsterdam, 1991. (een bundel lezingen van de SLAA). (www.hellahaassemuseum.nlwww.dbnl.org.  en wikipedia.)

Haasse, Hella S. ‘Nawoord.’ In: Verzameld Werk van Maria Dermoût, 671-678. Amsterdam, 7e dr. 2008.

Fragment, p.676, 677.

Uit notities, kladjes en opschrijfboekjes is haar oeuvre ontstaan. Toen zij in november 1949 een eerste aarzelend bezoek bracht aan de schrijver Johan van der Woude, hem een pakje met manuscripten overhandigde met het verzoek die te lezen, en haar dan eerlijk te zeggen of hij iets daarvan de moeite waard vond, had zij maar één tekst voltooid: de driemaal geschreven kleine roman over haar jeugd op de suikeronderneming Nog pas gisteren. Driemaal geschreven, omdat het eerste manuscript verloren was gegaan, en het tweede zoekgeraakt. De derde versie bevat een nieuw element: de door kinderogen waargenomen maar half begrepen tragische liefdesaffaire van bewonderde, dierbare volwassenen, die een dimensie toevoegt aan wat waarschijnlijk de kern van dit verhaal is, de letterlijk onuitsprekelijke verbondenheid tussen een Europese officier (de ene helft van het liefdespaar) en zijn Batakse bediende.

In zijn biografie beschrijft Johan van der Woude zijn eerste indrukken van Maria Dermoût. ’Ze maakte toen de indruk een kleine vrouw te zijn, dat was gezichtsbedrog. Ze kon zich klein maken als ze niet aan ’t gesprek wilde deelnemen, en dan leek het wel dat ze er ook niet was. Ze was niet klein [..] Ze zat klein in mijn kamer, maar toen ze wegliep liep ze statig voor me uit de trap af, met rechte rug en schouders.’ Maria Dermoût was toen eenenzestig jaar oud.’

Door toedoen van Johan van der Woude, die dadelijk de bijzondere kwaliteit van haar werk onderkende, verscheen Nog pas gisteren in 1951. Hij stimuleerde haar ook om de fragmenten die zij in portefeuille had uit te werken.

In haar verhalenbundels Spel van tifa-gongs (1954), De juwelen haarkam (1956), De kist (1958) en De Sirenen (1963) zal men vergeefs zoeken naar standpunten ten aanzien van, of zelfs maar toespelingen op actuele, politieke en maatschappelijke aspecten van de verhouding tussen Nederlanders en hun voormalige koloniën. Maria Dermoûts aandacht ging geheel en al  uit naar de eigenlijk niet onder woorden te brengen emoties en impulsen die leven en lot van mensen bepalen. Nooit sentimenteel of ‘hevig’ wist zij intuïtief de beelden, klanken, kleuren op te roepen die meer dan welk betoog ook duidelijk maken hoezeer zij hartstocht begreep in al zijn uitingsvormen.

Zij zette haar personages nooit volledig neer, er blijft veel ongezegd, het belangrijkste wordt de lezer indirect aangereikt. Haar slechts schijnbaar fragmentarische grotere verhalen zoals ‘Old men forget’, ‘Het ameublement van de gouverneur-generaal’, ‘De prinses van het eiland’ en ‘Toetie’ omvatten generaties, complexe verhoudingen tussen ouders en kinderen, echtgenoten, geliefden, Europeanen en mensen uit het verre oosten, en soms ook, zeer subtiel, tussen mensen van verschillende inheemse rassen in de Indonesische archipel.

Haar meesterwerk is zonder twijfel De tienduizend dingen (1955), en een hoogtepunt daarin vormt de geschiedenis die ‘De professor’ heet. Van alle door haar geschapen personages was die haar het liefst; een Schotse botanicus, die op de weg van Ambon naar Noessa Nivé door leden van de stam van de Alfoeren wordt vermoord. In dat verhaal over de verhouding tussen de professor en zijn Javaanse assistent lopen zoals van der Woude het opmerkte ‘alle draden van Maria’s verbeelding, haar waarden, haar instelling op het leven en de mensen samen.’ […]

Hartoko, Dick. ‘Op zoek naar de tuin van Kleyntjes.’ Ons Erfdeel 19, nr.1 januari, februari (1976): 88-9. (noot 2)

Heesen, Hans e.a. Behoudens deze steen. Een gids langs schrijversgraven in Nederland en Vlaanderen, 66. Soesterberg, 2004.

Heijden-Rogier, P.E. van. ‘Maria Ingerman.’ In: Biografisch woordenboek van Nederland, 290-292. Den Haag, 1989.(www.dbnl.org. en www.biografischportaal.nl )

Houtzager, Guus. Het een -én- het ander over De tienduizend Dingen  van Maria Dermoût. Leiden, 1991. Zie  voor de volledige tekst de rubriek Historische bronnen. ( www.dbnl.org. en wikipedia)

Houtzager, Guus. ‘Maria Dermoûts De tienduizend dingen; technisch raffinement, tovenarij en taoïsme.’ Indische letteren 1,nr. 2 (1986): 67-87.

Houtzager, Guus. ‘Tweemaal Kleyntjes.’ Indische letteren 10, nr. 3 sept.(1995): 163-173.

Jong, J.J.P. de. ‘Hoe Indisch was Maria Dermoût?  Hollands Maandblad 32, nr. 514 september (1990): 17.

Jong, Oek de. Oek de Jong leest Maria Dermoût. Amsterdam, 2005.

Fragment, p. 7,8

Toch blijft Maria Dermoût een auteur voor de happy few. Is ze een writer’s writer?  Beslist niet. Ze is een vertelster pur sang. Haar verhalen zijn subtiel – fijnzinnig, zoals men in haar tijd graag zei – maar ze zijn ook toegankelijk. Niettemin blijft ze een auteur voor weinigen, gelijkwaardig aan de groten van het Nederlandse proza maar veel minder bekend dan zij. Er zijn allerlei redenen aan te voeren voor die bescheiden reputatie: haar eigen bescheidenheid, de geringe omvang van haar oeuvre, de korte duur van haar literaire carrière. Maar het is vooral het werk zelf dat er de oorzaak van is. Het bezit iets waardoor het horden lezers afweert, maar tegelijkertijd steeds een handjevol weet aan te trekken – en die sluiten het in hun hart en geven het gerucht van dit exquise oeuvre door. Het zijn de schelpenzoekers onder de lezers, de trage wandelaars, die stilstaan en zich bukken om die ene schelp op te rapen – zij zien het bijzondere van dit werk.[…]  wikipedia, www.dbnl.org. www.oekdejong.nl

Kian kemari: Indonesia dan Belanda dalam sastra. Over L.Couperus, M. Dermoût, Multatuli e.a. Samenstelling Gerard Termorshuizen, 76-84. Jakarta, 1973. noot 3  (voor Termorshuizen www.dbnl.org. )

Kist-Dermoût, Ettie en Johan van der Woude. ‘Nawoord.’ In: de bundel De Sirenen, 172-174. Amsterdam, 1963.

Knuvelder, G.P.M. ‘Maria Dermoût.’ In: Beknopt handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde, 58. Den Bosch, 1982. (www.dbnl.org.)

Kousbroek, Rudy. ‘De vergiftigde bron van de nostalgie.’ NRC Handelsblad, 6. 9. 1991.

Leeuwen, Lizzy van. Ons Indisch erfgoed; zestig jaar strijd om cultuur en identiteit, 55, 121.Amsterdam, 2008.(www.indischhistorisch.nl)

Leeuwen, W.L.M.E. van ‘Maria Dermoût.’ In: Nederlandse auteurs van 5 generaties, 106-112. Zeist, Antwerpen, 1964.(www.dbnl.org.)

Leuker, M. ‘Het een en het ander’- representaties van culturele alteriteit in Maria Dermoûts roman De tienduizend dingen.’ In: Nederlandse letterkunde 6 (2001), afl. 3, p. 204-218. (www.dbnl.org.)

Lodewick, H.J.M.F. (red.)‘Maria Dermoût.’ In: Ik probeer mijn pen. Atlas van de Nederlandse letterkunde, 239.Amsterdam, 1979. (www.dbnl.org.)

Nieuwenhuys, Rob.  ‘Ditmaal geen schandaalroman maar een beminnelijk boek over tempo doeloe, over Nog pas gisteren van Maria Dermoût.’ Dagblad De Nieuwsgier, Djakarta, 7.6. 1951.

Nieuwenhuys, Rob. ‘Maria Dermoût.’ In: Komen en blijven; Tempo doeloe, een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870- 1920, 148-153. Amsterdam, 1982. (www.dbnl.org., www.kitlv.nl , www.kit.nl en wikipedia.: Nederlands, Engels, Bahasa Indonesia)

Nieuwenhuys, Rob (red.) ‘Maria Dermoût.’ In: ’t Is vol schatten hier. Atlas van de Nederlandse letterkunde. dl.1, 159,160. Amsterdam, 1986. ( www.dbnl.org. en wikipedia: Nederlands, Engels, Bahasa Indonesia)

Nieuwenhuys, Rob. Oost-Indische Spiegel. Wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden, 459 – 473. Amsterdam, 1972. ( www.dbnl.org. www.kitlv.nl, www.kit.nl en wikipedia: Nederlands, Engels, Bahasa Indonesia)

Oosthoek lexicon Nederlandse en Vlaamse literatuur, 92. Utrecht, 1996. (www.dbnl.org.)

Pattynama, Pamela. ‘26 februari 1948. Oeroeg van Hella Haasse verschijnt als boekenweek geschenk. Herinneringsliteratuur en ‘post herinneringen’ bij eerste en tweede generatie Indische schrijvers.’ In: Cultuur en migratie in Nederland: Kunsten in beweging 1900-1980; red. van Rosemarie Buikema en Maaike Meijer, 207-221. Den Haag, 2003, noot 2 en het artikel van A.Dirkse-Balhan dat hier wordt aangehaald  ‘Een web van verwijzingen. De juwelen haarkam van Maria Dermoût’. Indische letteren, 15, nr.2 (2000) : p. 83-95.

Fragment, p. 210-214.

De paradox die tot een synthese is gebracht is kenmerkend voor het hele oeuvre van Dermoût. Als in Indië gewortelde is zij opgegroeid met de orale vertelkunst van Indonesië en Indo’s. Een klakkeloze navolgster kan zij evenwel niet genoemd worden. Dermoût was een verbluffend arrangeur met een eigengereide vertelstijl van herhalingen, afgebroken zinnen, pauzes, veelvuldige dialogen en gedachten streepjes. Haar tijdloze suggestieve effecten bereikte ze door een ambachtelijke aanpak na zich degelijk gedocumenteerd te hebben. Zij fabriceerde collages van overal vandaan; geplukte motieven en personages die liefst nauwelijks met elkaar verband hielden. Verheven of banaal, fictie of geschiedenis, Aziatisch of Europees, alles is bruikbaar maar niets is toeval bij Dermoût. Zo lijken de verhalen in haar bekendste roman De tienduizend dingen losstaand maar bij nader inzien blijken zij door weerkerende elementen en een gemeenschappelijke mengtechniek verweven.

Een daarvan ‘De Sirenen’ gaat over een vrouw die een prauw aanschaft en een onbestemde reis begint met een jongeman als scheepsmaat. Deze scheepsmaat houdt van zwemmen tussen de zeekoeien. Aanvankelijk loeien ze maar later blijken zij verleidelijk als sirenen te zingen. In de Indische wereld die Dermoût oproept van prauwen, sarongs en hibiscusbloemen duikt zo opeens de Europese klassieke held Odysseus op ook verder in het suggestief vertelde verhaal worden traditionele opposities als Oost en West en vrouwelijkheid en mannelijkheid van hun gewicht ontheven.

Een andere techniek van Dermoût is het elders inbedden van bekende topoi en verhalen zodat de ontstane mengelmoes van nog net wel en net niet herkenbare citaten een nieuw blikveld op een oude geschiedenis opent. ‘De juwelen haarkam’ is daar een mooi voorbeeld van. Een jongeman, Quirien, keert terug naar zijn familie in Gelderland na de historische gewelddadige ontmoeting met de opstandelingen van Saparoea op Ambon. De familie wil een insiders story, maar Quirien blijft zwijgen over zijn wedervaren. Pas wanneer hij gaat slapen in zijn oude kinderkamer en zijn moeder op de rand van het bed zit, begint hij obsessief te vertellen. Terwijl zijn enerverende verhaal nog in de kamer hangt begint zijn moeder, geheel ongepast, een waslijst van dingen uit Quirien’s jeugd op te noemen. Deze abrupte overgang was toentertijd reden ‘De juwelen haarkam’ negatief te beoordelen (Greshof 1957). De gewraakte passage heeft evenwel een belangrijke functie en is verbonden met het saillant motief van de dodenzang dat al eerder in Dermoût’s werk opdook. Bij deze heidense klaagzang voor een zojuist gestorvene worden de honderd dingen genoemd waaruit het leven van de dode bestaan heeft. In Nog pas gisteren hoort Riek hoe de bediende Boeyoeng de dodenzang zingt voor oom Fred, de geliefde van haar overspelige tante. Ook komt de klaagzang voor in De tienduizend dingen wanneer Himpies, de zoon van Felicia, gedood wordt door een giftige pijl van de bergalfoeren. De samenhang van moeders waslijst met het motief van de dodenzang werpt een ander licht op de functie en betekenis van de abrupte onderbreking in ‘De juwelen haarkam’. Quirien keert terug bij een familie die met hun precieuze woordjes Frans de koloniserende stem vertegenwoordigt. Zijn Indische avonturen vallen dood in hun Empire interieur. Dermoût werkt de ontstane vervreemding uit door het Ambonese element van de dodenzang in te voeren in de laatburgerlijke, oer-hollandse omgeving. De zoon lijkt een dode en de moeder somt bezwerend de honderd dingen op om hem terug te roepen uit het verre, onbegrijpelijke Indië waaraan zij hem is kwijtgeraakt. Hier schemert ook nog eens het Europese Orpheus en Euridice-motief door. De plotselinge overgang is daarom geen onhandige maar juist een betekenisvolle en geraffineerde narratieve breuk.

Net als Hella Haasse (Oeroeg) rakelt Dermoût hier een bestaande geschiedenis op uit ons koloniale verleden. In haar handen mengt het meegebrachte erfgoed zich met Europees erfgoed in een Hollandse omgeving en krijgt zo een nieuwe betekenis, intrigerend is de voorafschaduwing. Quirien’s ontheemding doet denken aan die van Indische repatrianten in Nederland. Ook zij bleven zwijgen over hun voorbije ervaringen en voelden zich vaak vreemdelingen in eigen land: ‘Was het zo? Hoorde hij niet meer aan hier? Hoorde hij aan een paar eilanden ver weg? Aan een vulkaan? Aan een baai? Verdronken tuinen vol koralen bloemen?…Of was het niet? Hoorde hij toch aan hier?..(‘De juwelen haarkam’) […]    (www.dbnl.org.)

Pattynama, Pamela. ‘Totdat Constance kwam. Het inheemse in het werk van Maria Dermoût.’ Indische letteren 24, nr. 2 juni (2009): 132-146.

Robinson, Tjalie. ‘Brieven aan Maria Dermoût.’ Ingeleid door Kester Freriks. De Revisor 27, nr. 3 (2000): 48-54.

Schrijven met je vuisten; brieven van Tjalie Robinson. Bezorgd en ingeleid door Wim Willems. Amsterdam, 2009. ( Zie register). Voor Tjalie Robinson wikipedia: Nederlands, Engels, Bahasa Indonesia en voor Wim Willems www.campusdenhaag.nl

Schrijvers- 2000 auteurs van de 20ste eeuw van A tot Z, 108. Amsterdam, 2002.( wikipedia : prisma pockets)

Spectrum Nederlandstalige auteurs, 59. Utrecht, 1985. ( wikipedia: prisma pockets)

Robinson, Tjalie. ‘Maria Dermoût.’ De Haagse Post, 5 juli 1958.

Salverda, Reinier. ‘Maria Dermoût verdient beter.’ Ons Erfdeel 44, 4 (2001): 584-587.( noot 3)

Stuiveling, G. ‘Maria Dermoût, de inspiratie der herinnering.’ In: Het boek van nu IV,62, 63. Amsterdam, 1955.(www.schrijversinfo.nl www.dbnl.org. )

Termorshuizen, Gerard. ‘De dingen van voorbij en niet voorbij, Maria Dermoût en haar werk.’ Ons Erfdeel 33, nr. 2  maart (1990): 175-184.

Toorn, Willem van (red.) ‘Maria Dermoût.’ In: Querido’s letterkundige reisgids van Nederland, 148. Amsterdam, 1982. ( wikipedia)

Vreede, Mischa de. Geen verleden tijd. Nederlands op Ambon, 110. Amsterdam, 1991. ( wikipedia www.dbnl.org.)

Vries, Herma de. ‘Het ritme van de herhaling – een analyse van het poëtisch taalgebruik van Maria Dermoût.’  Indische letteren 19,  nr. 126 ( 2004): 128-137.

Warren, Hans. ‘Maria Dermoût.’ In: Geheim dagboek. Amsterdam, 1984-… Dl. V,VII,VIII, IX, X. Zie register. ( wikipedia: Nederlands, Engels, Esperanto, Frans)

Willems, Wim. Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver. Amsterdam, 2008. Zie register. Voor Wim Willems www.campusdenhaag.nl, voor Tjalie Robinson wikipedia. : Nederlands, Engels en Bahasa Indonesia.

Winkler Prins lexicon van de Nederlandse letterkunde, 148-153. Amsterdam, 1986. (www.winklerprins.com)

Woude, Johan van der. Samenvatting van zijn  biografie van Maria Dermoût. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde 1901-2000, 1972. (www.dbnl.org.)

Woude, Johan van der. Maria Dermoût. De vrouw en de schrijfster. Den Haag, 1973. (www.dbnl.org., www.biografischwoordenboekgelderland.nl )

Zonneveld, Peter van. ‘Maria Dermoût.’ In: Album van Insulinde. Beknopte geschiedenis van de Indisch-Nederlandse literatuur, 66. Amsterdam, 1995. (www.dbnl.org.) ( noot 6)

Zonneveld, Peter van. ‘Maria Dermoût.’ In: Europa buitengaats, koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen; onder red. van Theo d’Haen, 152. Amsterdam, 2002. (www.dbnl.org.)

Zonneveld, Peter  van. ‘De erfenis van Insulinde.’ In: Indische letteren, 2, jrg.28 (2013): 181-189.

noot 1 Prof. dr. E.M Beekman studeerde Engels en vergelijkende literatuurwetenschappen en doceerde germaanse talen aan de universiteit van Massachusetts in Amherst tot 2003, hij overleed in 2008.

noot 2 Dick Hartoko vertaalde in 1955 De tienduizend dingen in het Bahasa Indonesia. Taman kate-kate verscheen  bij de uitgever Pustaka Jaya, Jakarta. 

noot 3 Gerard Termorshuizen schrijft in 2011 het 2e deel van zijn monumentale pers geschiedenis:  Realisten en Reactionairen; een geschiedenis van de Indisch-Nederlandse pers 1905-1942, het eerste deel Journalisten en heethoofden gaat over de periode 1744-1905.

noot 4 Prof. dr. Pamela Pattynama is bijzonder hoogleraar koloniale en postkoloniale literatuur en cultuurgeschiedenis aan de universiteit van Amsterdam.

noot 5 Prof. dr. Reinier Salverda studeerde Nederlandse taal- en letterkunde. Van 1981 tot 1989 doceerde hij Nederlands en taalkunde aan de universiteit van Jakarta. In 1989 doceerde hij aan het University College in Londen Nederlandse taal, taalkunde, geschiedenis en koloniale literatuur. Sinds 2006 is hij directeur van de Fryske akademy in Leeuwarden.

noot 6 Dr. Peter van Zonneveld is verbonden aan de vakgroep Nederlands van de universiteit in Leiden. Hij publiceerde vele artikelen, tekstuitgaven en essay bundels op het gebied van de Indische letterkunde. Hij is redacteur van het tijdschrift Indische letteren.

De hier genoemde oude jaargangen van literaire tijdschriften zullen in de nabije toekomst worden gedigitaliseerd, er zijn dus nu nog geen verwijzingen aangegeven, alleen de redactie van het tijdschrift Moesson heeft al hun artikelen op internet  geplaatst.

De artikelen over haar leven en werk zijn in de hier genoemde naslagwerken zeer summier behandeld met uitzondering van die over de koloniale literatuur van E.M. Beekman (Paradijzen van weleer etc.) en Rob Nieuwenhuys (Oost-Indische Spiegel etc) waarin haar werk grondig geanalyseerd wordt. Beide auteurs waren autoriteiten op het gebied van  de Nederlands- Indische literatuur.

­­­­­